Fundamenten: God, wie God?
Gelezen Handelingen 17
Toespraak Franck Ploum
1.
De vraag naar God is zo oud als de mensheid. Aanvankelijk nog als verklaring van wat de mens zelf niet kon verklaren: donder en bliksem, dag en nacht, natuurgeweld, ze werden toegeschreven aan de goden. Hun daden waren willekeur waarvan de mens een speelbal was. Die goden moesten ook tevreden worden gesteld met offers, aandacht, aanbidding en meer. En als je geluk had dan waren de goden je goedgezind en ontving je voorspoed. Later gingen goden een rol spelen in de vormgeving van de samenleving, in literatuur, in verdeling van macht.
Als het om macht gaat, is god in onze tijd ook weer helemaal terug. Menig godenzoon denkt god aan zijn zijde te hebben, van Trump tot Poetin en Netanyahou tot aan de leiders van de taliban. En vandaag verkiezingen in de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt, waar de AfD de absolute meerderheid dreigt te krijgen: voor God en vaderland! We mogen ons hart vasthouden.
Hoewel nog maar weinig mensen geloven in God als opperwezen, afstand hebben genomen van allerlei godsbeelden van macht en almacht, duiken ze toch steeds weer op in onze wereld. En ook zijn er vele goden opgestaan en beelden opgericht sinds die de dood van het opperwezen: het bankwezen, de olie-industrie en farmacie, de vrijemarkt en de schoonheidsidealen. Om er maar eens een paar te noemen. De man met de baard, de almachtige almacht, het alziend oog, al die beelden zijn te pletter geslagen, maar we hebben rijen nieuwe godenbeelden en afgodsbeelden opgericht waarvoor we op onze knieën gaan, nog los van de vele offers die we brengen om aan de eisen en de verwachtingen ervan te voldoen.
Spreken over God, ook in onze tijd, is allesbehalve eenduidig. Je kunt en mag er niet zomaar vanuit gaan dat iedereen weet wat je bedoeld te zeggen als je zegt ‘God’. Daarom is goed om op gezette tijden nadrukkelijk stil te staan bij ons spreken over God. Wat zeggen we wanneer we het hier op deze plek over God hebben, over wat en wie gaat het dan? De spraakverwarring op dit gebied is immers enorm en voor je het weet tuimelen beelden en gedachten als een onontwarbare kluwen over elkaar heen. Of erger: voor je het weet valt het woord ‘waarheid’ en breekt de pleuris uit. Dat zien we wereldwijd groot en klein gebeuren en juist daarvan zeggen we hier: die god is het in elk geval niet.
2.
Het Athene zoals beschreven in het boek Handelingen van de Apostelen, is een stad op haar retour. Wat ooit de bakermat was van wijsheid en ontwikkeling, architectuur en kunst, moet met lede ogen aanzien dat die rol nu aan Rome toebehoort en dat haar eigen aanzien tanend is. Het verhaal refereert nog aan de wijze waarop het leven in Athene ooit bepaald werd door filosofische gesprekken, de bestudering van nieuwtjes en nieuwe snufjes. Alle rijkdom, in zowel geld als in entourage is nog aanwezig, maar iedereen weet dat het voorbij is. De Romeinen hadden het slim aangepakt: ze doken voluit in het religieuze en culturele leven van Athene en brachten dat leven en die kennis vervolgens over naar hun eigen hoofdstad.
Wat er óók is, is een keur aan goden en tempels en offerplaatsen. Allemaal door de knappe koppen in Athene in kaart gebracht, benoemd en verbeeld. En er is ook een plek gereserveerd voor een god die ze nog niet kennen. Een lege sokkel met als opschrift ‘voor een onbekende God’. Ondanks al hun kennis en kunde houden ze er rekening mee dat er iets is dat ze niet kennen, over het hoofd zien, of iets waar ze geen weet van hebben. Om te voorkomen dat dit ene, die onbekende hun ondergang wordt, krijgt het een plek ter aanbidding. Je kunt nooit weten. Stel je voor. Als hij bestaat, dan heb ik aan hem gedacht. Oftewel voor elke angst een altaar. Zelfs voor de angst die je nog niet kent. Vele offers moeten er gebracht worden.
3.
Paulus trekt door dit Athene. Dat wil zeggen, in het verhaal dat we hoorden doet hij dat. Maar hoe moeten we Paulus in het boek Handelingen plaatsen? We kennen allemaal de brieven van Paulus. Dat zijn de oudste getuigenissen die we hebben over Jezus en de Jezusbeweging in de eerste eeuw. Een aantal van zijn brieven zijn authentiek, een paar zijn van leerlingen van Paulus. Hoe dan ook, we hebben hier met historische brieven te maken aan historische gemeenschappen. Dat kun je niet zeggen van de Paulus in het boek Handelingen. Wat hier voor ons ligt zijn verhalen, met Paulus als stijlfiguur. Leunend op het gezag dat Paulus had binnen de messiaanse groepen, wordt hij hier door de schrijver van het Lukasevangelie en het boek Handelingen ingezet om aan zijn verhaal gezag toe te kennen.
Een manier van doen die in de oudheid volstrekt normaal was. Lukas, de schrijver van het tweeluik evangelie-handelingen, was niet geïnteresseerd in geschiedschrijving, niet in hoe het was gebeurd, maar wel in wat gebeuren moest: de verkondiging van het verhaal van Messias Jezus aan alle volkeren.
Dat gezegd hebbende, trekt Paulus door Athene en ziet wat er gebeurt, wat mensen doen, hoe ze leven en waarin ze geloven, hun angsten en hun twijfel. En hij ontdekt de plek waar gebeden en gofferd kan worden ‘voor de onbekende god’. En Paulus denkt, nu heb ik beet. Want zij weten dan wel niet wie die onbekende is, maar ik weet het wel: het is de god van Messias Jezus, de God van het verbond, de bevrijdende God.
Daar is het latere christendom ook altijd sterk in geweest. Niet afpakken, niet kleineren, maar aansluiten bij wat er is en dat vervolgens overgieten met een nieuw sausje. In de havenplaats Alexandrië werd met grote uitbundigheid de hemelvaart van de Godin Astraea gevierd in de vierde eeuw. De plaatselijke christenen wilden daar iets tegenoverstellen en zo ontstond het feest Maria Tenhemelopneming. Astraea had een tempel met uitzicht over zee. Er stond een beeld in van haar en daar werd geofferd opdat zij de zeevaarders een goede thuiskomst zou geven. En het onderschrift bij het beeld luidde: ‘Astraea, sterre der zee’. Die offerplek ga je niet verbieden, die tempel breek je niet af. Je zet er een kruis bovenop en zegt: die jullie aanbidden, dat is eigenlijk Maria, Maria, Sterre der Zee. En enige tijd later maak je er in een officieel concilie een dogma van.
Is dat nu erg, dat het zo gaat? Maakt het verhalen minder belangrijk, als je weet dat andere culturen en religies gelijksoortige goden en beelden hanteerden? Is het verhaal van Noach niets meer waard wanneer je weet dat het in negen varianten in allerlei culturen – ouder dan de bijbel – terug te vinden is? Nee dat is niet erg, het laat zien dat deze verhalen aansluiten bij de existentiële vragen van mensen in alle tijden en culturen. De vragen zijn gelijk, de vorm waarin ze geuit worden is anders.
4.
Aan de onbekende God. Hoe dit opschrift daar terecht is gekomen en waarom, dat weten we allemaal niet. Maar het is ontegenzeggelijk dat het een opschrift is dat naadloos aansluit bij de zoektocht van velen vandaag, misschien wel onze eigen zoektocht. Voorbij aan alle beelden, alle begrippen, alle theologie en dogma’s, zijn we zoekend met de vraag of er meer betekenis aan ons leven te geven is dan de betekenis die we er zelf aan geven. Is er nog iets of iemand die ons draagt. Is er bestaan denkbaar aan ons denkbare bestaan voorbij?
Als alle beelden verdwenen zijn, wanneer alle goud en zilver hooguit afgoden zijn, en angst een slechte raadgever, wat heb je dan nog in handen om stil te staan bij het al dan niet bestaan van God?
Misschien is de eerste stap om ons van buiten naar binnen te keren: wie of wat draagt mijn leven? Welke adem geeft mij levenskracht? En dat ik hier ben en mag zijn. Dat er daglicht is, alle dagen weer. Verwondering over het leven, wetende dat veel waarover je je kunt verwonderen aantoonbaar verklaarbaar is. Maar aan die verklaarbaarheid voorbij stil staan
bij het feit dat je er bent, dat je in het leven geroepen bent en dat je er op mg vertrouwen dat jouw leven iets van een geheim in zich draagt dat verbonden is met die levenskracht die wij God noemen.
Als God bestaat – aan angst en beeld voorbij – dan is het in verbinding met wie wij als mens zijn en wat we doen en hoe wij in het leven staan. Zonder dat die verbinding ons tot God maakt. Waar dat gedacht en gedaan wordt gebeuren ongelukken. Elke menselijke god staat op een troon, wil vereerd worden, verbindt zijn goddelijke status aan macht en invloed. Juist daarom moeten we van al die beelden en gedachten af, om iets te kunnen ervaren van dat goddelijke bestaan.
Ervaren dat juist weg van status en macht niet geweten, maar gevoeld kan worden wat het betekent dat ‘God is’. Zoals dat volk van alle bezit ontdaan, tot slaaf gemaakt, ten diepste vernederd, ineens een stem hoorde: ‘Ik heb jullie lijden gezien en gehoord’. ‘Ik zal er zijn’. ‘Ik kom bevrijden’. En dat het die ervaring is, die je weghaalt uit je eigen veilige wereldje, weg van je eigen ikje, en de ogen opent voor de ander, die een mens is als jij.
‘Niemand heeft ooit God gezien, hij die niet de gestalte van God, maar van een dienstknecht aannam heeft ons God doen ervaren.’ zegt Paulus in een van zijn brieven. Van die Messias Jezus ging een bevrijdende kracht uit die alle beelden stuksloeg en uit de puinhopen van macht en kracht, gouden kalveren en tempeloffers kwamen weer tevoorschijn solidariteit, bevrijding, menswaardigheid en liefde.
Als jij bestaat, dan ben jij het! God die zichtbaar wordt in mensen die vertrouwen hebben dat ‘jij er zal zijn’ en die inhoud geven aan die grote woorden. Die deze aarde daardoor bewoonbaar maken, niet alleen voor zichzelf, maar voor al wat leeft en ademhaalt.
Dat het zo moge zijn.
