serie: ‘Traditie is steeds weer het vuur aanwakkeren
thema: Genade
gelezen: Johannes 1, 1-14
Toespraak Franck Ploum
1.
Onze traditie staat bol van ‘Grote woorden’ en we gebruiken ze alsof ze dagelijkse kost en de grootste vanzelfsprekendheid zijn. Solidariteit, gerechtigheid, God, heilig. En ook een woord als genade is zo’n heel groot woord. Ook in de liturgie van deze ekklesia komt het woord nogal eens voorbij, in liederen en bijbelteksten. Maar in het dagelijks leven is het een woord dat niet meer zo vooraan op onze tong ligt. En juist dan, wanneer het verdwijnt uit je gewone taal en een woord tot bijzondere taal gaat behoren, moet je opletten en nadenken over de vraag: wat zeg ik eigenlijk?
‘Genade’! Kinderen horen we het nog wel roepen in hun spel. Er wordt gestoeid en degene in verloren positie roept ‘genade’. Ze weten misschien niet precies wat het woord betekent, maar wel precies wat bedoeld wordt. Ik heb het niet meer in eigen hand, de ander beslist over mijn lot, schenk me genade. Zoiets. En ook: ik heb verloren, jij gewonnen, maar maak geen gebruik van je overwinning, oftewel maak me niet dood, laat me leven.
‘Je niet vergelden’ en ‘onverdiend iets kwijtschelden of niet vereffenen’ zegt Van Dale, groot
woordenboek der Nederlandse taal. Dat is genade, genade schenk je dus als een gunst, je gunt het een ander om genade te ontvangen, ook al is dat misschien niet verdiend of is dat niet in de lijn van het gebruikelijke.
2.
Nu staat de bijbel natuurlijk vol van ongebruikelijkheden en gebeurtenissen of wendingen die niet in de pas lopen met wat we gewend zijn in het dagelijks leven. Het is dan ook een boek over mensen en hun genadige god. Een god die steeds weer goedgunstig gestemd is ten overstaan van het volk en – hoe onverdiend ook – steeds weer genade schenkt. Het volk luistert niet, mensen komen de afspraken niet na, generaties lang wordt god vergeten en dan wordt god boos en uiteindelijk is er genade: “O Heer God, erbarmend, genadig, lankmoedig, rijk aan liefde en trouw” (Exodus 34,6) belijdt het volk dan in grote dankbaarheid.
Kennelijk is de gedachte dat er een genadige god zou kunnen bestaan iets nieuws en ongedachts. Als er zoveel nadruk op ligt in de verhalen, dan moet het wel een gedachte zijn die staat tegenover andere ideeën over wie of wat god zou kunnen zijn of is. Farao was god, de Romeinse keizer waande zich god. De koning was god! En dan was er nog een hemel vol goden die de mens als marionetten naar hun pijpen lieten dansen en mensen wegvaagden als waren zij niets: de god van de donder, de oorlog, de vruchtbaarbaarheid, de droogte, de regen, de offers eisende goeden, de bloed eisende goden, de god van machtigen, de god van….. voor alles was er een god. Maar er was er geen een die voor en met mensen was. Elke god zijn eigen belang, geen enkele had het belang van de mens voor ogen. Goden boezemden angst in met hun nukken en verwoestende kracht, logisch in een tijd dat weinig tot niets te verklaren en dus te voorkomen of overwinnen was.
En dan is er ineens die God van het bijbels verhaal: barmhartig en genadig. Alsof er een besef is doorgedrongen: als er een god bestaat dat is het een god die met en voor ons is, die ons helpt, die bij ons blijft als het moeilijk wordt, die ons stuurt en vormt, ons ‘draagt op adelaarsvleugels’ (Deuteronomium), en ons uit de modder omhoogtrekt. Die dus als het ware geeft, ook als je niet verdiend, die weliswaar bovenliggende partij is, aan de winnende hand, maar toch niet de doodssteek uitdeelt.
3.
Genade wordt geschonken. Maar deze wereld is ongenadig naar miljoenen vluchtelingen, naar miljoenen hongerlijders, naar al die mensen zonder kansen en de duizenden opgesloten in oorlogsgebieden. Deze wereld kent ongenadige leiders, van Ayatollahs tot Trumps. Deze wereld kent ongenadige systemen van uitsluiting en uitbuiting, van keiharde zaken en geld is god. Die wereldgeest moet niet de onze zijn, dat zijn de alles eisende goden van weleer. Die zijn dus niet alleen van weleer, ze zijn springlevend, tot op vandaag! Tegenover die wereld moet een ander geluid onderricht worden, een genadewoord, een woord dat leven geeft.
De evangelist Johannes opent zijn evangelie met een lofzang op dat leven-gevende woord. Het is een rijmdicht op het scheppingsverhaal. En hij zegt dat het de ervaring van eeuwen is, dat hoe sterk ook de ongeest, de ongenade van de wereld waarin wij leven, uiteindelijk zal die duisternis niet sterk genoeg zijn om dat leven-gevende woord, die geestesadem, te kunnen doven. Dat wat wij tegenover alle duisternis plaatsen, aan leven, levenskracht, liefde, en ja, ook genade, al dat was er immers al vanaf de dagen der schepping.
Je zou kunnen zeggen: de mens is van nature goed, maar je moet zorgen dat je niet geïnfecteerd raakt door de ongenade van de wereld waarin je leeft. Voor Johannes is Jezus de mens bij uitstek die dit opnieuw en weer en steeds weer opgediept heeft en mensen voorgehouden, niet als een nieuwe waarheid, maar als een oude wijsheid opgediept in tijden dat het er op leek dat de duisternis het licht wel had overwonnen.
Nu liggen er in de proloog van Johannes allerlei voetangels verborgen. Te vaak, en in sommige kringen nog steeds, wordt er gesproken over het feit dat Jezus zich nu juist niet met oude wijsheid verbindt, maar het oude afdoet en iets nieuws begint. Of beter: dat God in Jezus met iets geheel nieuws begint. ‘Uit volheid hebben wij allen ontvangen Genade, en weer, en opnieuw: want Thora is door Mozes gegeven, de genade en de trouw zijn gekomen door Jezus Messias.’ (Johannes 1,17).
De joodse evangelist Johannes brengt echter niet een spanning ter sprake tussen christendom en jodendom. Zo is deze tekst in de christelijke traditie helaas wel eeuwenlang uitgelegd. Christendom bestond nog helemaal niet ten tijde van Johannes. Hier is sprake van een intern heet hangijzer binnen het Jodendom, namelijk over de positie van Jezus en de messiaanse beweging binnen datzelfde jodendom. ‘Niemand heeft ooit God gezien’ – zegt Johannes, dus Jezus ook niet. Jezus is geen toekomstvoorspeller, zoals de profeten van Israël dat ook niet waren. Hij is niet een voorspeller, hij is een exegeet: hij heeft het opnieuw allemaal uitgelegd. Hij heeft opnieuw uitgelegd hoe dat genadewoord van God werkt en doorwerkt. Over hoe het kracht tot bevrijding is geworden, zoals eens in de dagen der schepping.
Hier wordt dan ook geen tegenstelling tussen Mozes en Jezus geschapen, maar een doorgaande lijn geschetst, een doorgaande lijn van genade: genade van de Tora kwam van Mozes: God, erbarmend, genadig, lankmoedig, rijk aan liefde en trouw. (Exodus 3,6). En nu wordt die genade door Jezus opnieuw uitgelegd waardoor God ook voor zijn tijd weer liefdevol aan het licht komt.
Het opnieuw en helder ter sprake brengen en verklaren van deze woorden leidde tot het conflict met de Romeinse overheid en de elite van het volk. Want genadevolle woorden roepen iets wakker in mensen. Het zijn immers woorden die lijnrecht staan tegenover harde, onderdrukkende woorden. En wanneer te midden van die harde onderdrukking het hart wordt geraakt, toekomst opengaat omdat er woorden klinken die perspectief bieden over de tijd van repressie heen, dan wordt er iets losgemaakt in mensen en komen mensen in beweging. We zien het deze weken in Iran gebeuren. Juist dat leidde tot de kruisdood van Jezus en juist dat leidt nu tot nog meer repressie en agressie van de heersende macht. Heersende macht is immers niet zo gecharmeerd van beweging en ook niet van tegengeluid. Daarom moet niet alleen beweging, maar ook tegengeluid het zwijgen opgelegd worden, oppositieleiders monddood gemaakt, iedereen met een andere mening voor het Amerikaanse gerechtshof gesleept worden.
4.
Heersende macht is overal om ons heen deze dagen. En we zien dagelijks dat ze liever vasthouden aan de ongenade van allerlei systemen die hun in het zadel houden en aan de macht laten, dan dat ze meebewegen richting iets nieuws. De vraag is of wij, ieder voor zich, maar ook wij als gemeenschap in staat zijn vast te houden aan genadige woorden die ruimte van leven scheppen. Ook in onze tijd. In onze gezinnen en families, in onze vriendschappen, op ons werk, op scholen, in de zorg? Woorden van genade: die om niet, misschien soms wel onverdiend mensen optillen en verder brengen dan waar ze zijn. Die mensen laten groeien en meer en meer mens laten worden.
En kunnen we die taal ook spreken wanneer we naar buiten treden, buiten onze eigen kring? Dat er groepen zijn die aan al die zoekende mensen, al die mensen die wereldwijd hopen op gastvrijheid, al die mensen die gevangen zitten in oorlogsgebieden kunnen laten horen dat er ook liefdevolle woorden zijn, dat er ook kans op nieuw begin is? Genade die we om niet kunnen uitdelen, omdat we in een traditie staan waarin ook wij genadevolle woorden om niet mochten ontvangen. Een doorgaande lichtende lijn, door welke duisternis dan ook, niet te doven.
Zeg amen, dat het zo moge zijn.
