Het leven of de dood?

Het leven of de dood?

Toespraak Alex van Heusden
Gelezen: Deuteronomium 30,1-20

De bijbel is grotendeels fictie, literaire verbeelding. De bijbel is verhaal. De bijbel is ook heel veel poëzie. De bijbel neemt de wereld in ogenschouw, alles wat zich daar afspeelt, en wat zij ziet giet zij in woorden, in mensentaal, volgens toen gangbare literaire patronen. Om onze verbeelding te voeden, om op te staan tegen cynisme en wanhoop in deze moeilijke, onoverzichtelijke tijd. Dat wij de hoop niet laten varen, niet terugvallen in doffe gelatenheid.

We hoorden een fragment uit het boek Deuteronomium. In de Joodse traditie heet dit boek Devariem, ‘Woorden’, naar de woorden waarmee het opent: ‘Dit zijn de woorden die Mozes sprak tot heel Israël aan de overzijde van de Jordaan in de woestijn.’ Woorden. In het Hebreeuws Devariem. Alles draait om woorden, om taal van mensen die hen verbindt met elkaar in het visioen van bevrijding en de hoop op deze wereld anders.

Sjema Jisraeel, ‘Hoor Israël’. En als refrein: ‘Blijf scherp!‘ Niet achterover leunen, niet wegzakken, geen mentaliteit van ‘laat maar waaien’ – terwijl om je heen brute krachten zich verzamelen en alles wat adem heeft naar het leven staan, als een ontembare vloed. ‘Mens, waar ben je?’ ‘Ben ik mijn broeders hoeder, ik? De naaste van mijn zuster?’ Ja, dat ben je, zo moet je zijn.

We hebben horen voorlezen – Mozes die spreekt tot het volk in de vlakte van Moab aan de grens van het land Kanaän, in het veertigste jaar na de uittocht uit Egypte, het slavenhuis. Dit hebben we horen voorlezen: ‘Vandaag draag ik – ik, Mozes – jou op JHWH, jouw God, lief te hebben door te gaan op zijn wegen.’  

In het boek Devariem is ‘liefhebben’ een sleutelwoord. De eerste keer dat het voorkomt, zullen velen van ons weleens gehoord hebben, als er staat: ‘Hoor Israël! Jij zult liefhebben JHWH, jouw God, met heel je hart, met heel je ziel, met al je kracht’ (Deuteronomium 6:4). Dat wil zeggen: met alles wat je in je hebt, wie je bent en wat je meedraagt, zul je – liefhebben? JHWH liefhebben? De strekking is: JHWH, de Naam Ik-zal-er-zijn, liefhebben is horen naar zijn stem. Zoals we kunnen lezen (Deuteronomium 4:12):

Stem van woorden hebt gij gehoord,
geen gestalte hebt gij gezien, niets,
enkel stem.

Hoe lees je dat? Ik ga te rade bij een nog altijd gezaghebbende Joodse leraar uit de Middeleeuwen, bij Rabbi Sjlomo ben Jitschaq, afgekort Rasji. Hij leefde in het Franse Troyes in de tweede helft van de elfde eeuw. Rasji beantwoordt als volgt de vraag wat het betekent JHWH lief te hebben: ‘Dat leer je uit “Zij zullen op je hart zijn, deze woorden die ik jou opdraag heden” (Deuteronomium 6:6), want door die woorden leer je JHWH kennen en zijn weg te volgen.’

Die woorden zijn de woorden van de Tora. JHWH liefhebben doe je door de Tora te volbrengen, door het goede te doen, het recht te vestigen op aarde. Jij, mens – jullie, mensen, moeten dat doen. Zo wordt ons voorgehouden in de grandioze fictie van het boek Devariem. Het is in mensenharten opgekomen het zo op schrift te stellen en door te geven aan alle komende generaties. Met als troostrijke bemoediging en aansporing: dat woord dat leven doet, het is in je mond, in je hart – je kunt het spreken met je mond, je kunt het overwegen in het hart van je verstand, ten einde het te doen en zo te volbrengen.

Het kan, zegt het boek. Jij, mens – jullie, mensen, moet het doen, dat woord volbrengen, maar jullie kunnen het ook. Het is niet onmogelijk. Met je verstand kun je erbij, je hoeft daar geen vreemde capriolen voor uit te halen. Dat woord, die Tora, is geen verborgen wijsheid en geen geheime leer, maar voor iedereen toegankelijk.

Dus niet ver weg is dat woord, die Tora, niet in de hemel, niet overzee. Hier wordt afgerekend met het mythologische motief, als zou een mens op zoektocht moeten gaan om wijsheid en waarheid te vinden – zoals de queeste van Gilgamesj naar het geheim van onsterfelijkheid. Nergens voor nodig. De woorden van de Tora, opgeschreven in een boek, kan iedereen zich eigen maken en opslaan in het hart van zijn verstand.

Er valt iets te kiezen. En wel tussen ‘het leven en het goede, de dood en het kwade…’ Leven en dood zijn hier kwalitatieve begrippen. Het goede wordt geassocieerd met leven, het kwade wordt geassocieerd met dood, dat wil zeggen een leven dat geen leven is. ‘Kies dan het leven.’ En wel nu, in onze dagen, waarin elk houvast ons dreigt te ontglippen. Als niet nu, wanneer dan?

Daarmee wil ook zeggen: wat geweest is, is geweest. Het is nu aan ons. Dat is wat elke generatie moet zeggen: het is nu aan ons – wij moeten het doen, wij zelf. Weliswaar op de vleugels van een lange traditie, gedragen door een kostbaar erfgoed dat ons is aangereikt, dat wij bezingen en vieren – waarom zijn we hier anders? – maar toch: het is aan ons.

Ter illustratie. De rabbijnen, de leraren, bijeen in het leerhuis. Een van hen zegt: ‘Ik heb een stem uit de hemel gehoord.’ Waarop de andere leraren zeggen: ‘Dat kan niet. Nooit klinkt er een stem uit de hemel. Dat was misschien zo op de berg Sinai, maar nu niet meer. En mocht er al een stem uit de hemel komen, dan trekken we ons daar niets van aan. Die moeten we negeren. Het is aan ons.’

Zo ontstaat er een drieslag. Horen naar de God van de Tora is horen naar de Tora én horen naar jezelf, naar hart, ziel en verstand – één grote oproep als een stem van buiten die jij je eigen maakt, die jij verinnerlijkt, die je geweten vormt, die jou zegt om een menswaardig leven te leiden en te werken aan een bewoonbare aarde voor al wat leeft.

Zo houdt het oude verhaal ons een spiegel voor. Welk recht wil je vestigen? Het recht van de sterkste? Dat is het recht van de normaliteit, ook vandaag nog, maar daarmee wordt een moeizaam opgebouwde rechtsorde, met al haar doorgaans halfslachtige pogingen om via wetgeving, ook op internationaal niveau, geweld en oorlog aan banden te leggen, en meer economische kansen te scheppen voor meer mensen wereldwijd, naar de rand van de afgrond gedreven.

Zoals historicus Ewoud Kieft het formuleerde: ‘De rechtsstaat is, net als de democratie, een uitdrukking van onze waarden. Als wij niet op die waarden blijven aandringen, zullen ze verdwijnen. Het is niet de rechtsstaat die hun voortbestaan garandeert, we zijn het zelf.’

Maar o wee, intussen hebben ze de wereld in hun greep, de titanen en giganten, ze vestigen het recht van de sterkste op aarde. Ze gaan letterlijk over lijken, met een grenzeloos egocentrisme en niet te stuiten hoogmoed. We kennen hun namen. Ook die van de hedendaagse Tech-giganten die alles naar zich toe trekken en eropuit zijn democratische samenlevingen te infiltreren en om zeep te helpen.

Hier is de menselijke maat ver te zoeken. Mensen doen er niet toe. Al die oude en nieuwe wereldrijken, de supermogendheden, schieten schromelijk tekort als het gaat om menselijkheid. Ze hebben geen weet van mededogen en onderlinge solidariteit. Het interesseert ze niets hoe mensen kapot gaan, ze horen niet hun schreeuwen uit de diepte om recht en waardigheid, ze weten niet wat nodig is om deze wereld voor de toekomst te behouden.

Wereldrijken komen en gaan. Opeenvolgende generaties van het oude Juda waren daar getuigen van. Het grote Babylonische Rijk maakte een einde aan Juda en voerde de bovenlaag van het volk, inclusief koning Jehojakiem, weg in ballingschap. ‘Aan de stromen van Babel zaten wij neer en wij weenden om de gedachte aan Zion.’ Daarna kwamen de Meden en de Perzen, met hun wet van Meden en Perzen, daarna het hellenistische rijk, bijeen veroverd door Alexander de Grote, toen ook nog de Romeinen. Enzovoort enzovoort. Ze komen en gaan – maar verdwijnen ze ooit, voorgoed, zulke rijken, gebouwd op machtspolitiek en wreedheid? Wie zal het zeggen, we weten het niet.

Er zijn er nu drie: Amerika, Rusland en China. India zit op het vinkentouw. Amerika wordt geleid door een vastgoedmagnaat die zich schuldig maakt aan schaamteloze graaipolitiek, of het nu gaat om Gaza, Groenland, Venezuela of Oekraïne. En Europa aarzelt en aarzelt om het heft in eigen hand te nemen, om los te komen van ‘daddy’, om eindelijk volwassen te worden. Dat zal niet meevallen. Europa is politiek gefragmenteerd, de lidstaten prevaleren hun eigenbelang en in verschillende landen waart het spook rond van een bruinrechts nationalisme dat steeds griezeliger vormen aanneemt en de poort opent voor toenemende ontmenselijking. Op dit punt mag geen gewenning optreden, geen ‘laat maar waaien’. Waakzaamheid blijft geboden. Proberen de bakens te verzetten. Begin van nieuw begin.

Wij, nu hier, op kleine schaal, in onze eigen leefwereld, maar niet doof en blind voor wat er gaande is, die de tijden proberen te lezen – wat doen wij, wat kunnen wij? Wij mensen. Hoe treffen we ons aan, in dit tijdsgewricht? Cynisch, gelaten? Ongerust, angstig? Geneigd het bijltje erbij neer te gooien misschien wel? Of toch maar gaan, niet gebogen, maar rechtop, met kleur op de wangen, open en ontvankelijk. Dicht bij mensen blijven. Al is het maar door gehoor te geven aan de stem, het spreken, de noodkreet van een andere mens die jou roept, die jou nodig heeft. Daartoe bewogen worden. Die mens herkennen als je naaste. En de naaste worden van die mens.