Oogsten

Oogsten

Gelezen: Lukas 18,18-30
Toespraak: Franck Ploum

1.
Wat hopen wij te oogsten in ons leven? Wanneer achten wij de oogst van ons leven voldoende? Wanneer kijken we met tevredenheid op ons leven en kunnen we zeggen: en zo is het goed, of goed genoeg in elk geval? En waar kijken we dan naar? Is dat of er voldoende eten is, een veilig dak boven ons hoofd, dat je de boodschappen en rekeningen kunt betalen en niet wakker hoeft te liggen en eindeloos rondjes in je hoofd draait op zoek naar oplossingen voor de problemen die je bezighouden? Is goed genoeg, dat je mensen om je heen hebt die om je geven, bij wie je terecht kunt? Hoe kijk je naar de oogst van je leven, en wat hoort daar allemaal bij en niet bij?

Psalm 112 in vrije vertaling legt die vraag als volgt in ons midden:
Je zou gelukkig willen zijn:
stevig, vrolijk, rechtop,
goed werk, goed wonen, wat geld,
aardig worden gevonden
lief, je grote liefde vinden,
kinderen krijgen, gezonde, mooie.
Dat zou je willen – wie niet?

Wil je ook goed zijn, betrouwbaar,
trouw, rechtvaardig, meedogend?                     (hertaling Huub Oosterhuis)

In de bijbel wordt de oogst van een mensenleven nooit alleen maar individueel en persoonlijk geduid, altijd ook in relatie tot de gemeenschap, je naaste, de wereld waarin je leeft.

2.
Dat komen we ook in het verhaal van vandaag tegen. Iemand die hoopt dat de oogst van zijn leven zal zijn, dat hij mag leven in de komende wereld. Daar is zijn leven op gericht, daartoe onderhoudt hij de geboden. En onmiddellijk wordt daar de vraag naast gelegd: en hoe zit het met je rechtvaardigheid, je mededogen, je solidariteit: ben je bereidt te delen met wie niets heeft? Dat is de toetssteen voor deelname aan de komende wereld.

We kennen het verhaal, als dat van de rijke jongeling. Zo wordt de persoon die bij Jezus komt beschreven in het evangelie volgens Marcus en Matteüs. Maar Lukas verandert het personage en maakt er een ‘hooggeplaatst’ persoon van. Een centraal thema bij Lukas is immers de verhouding tussen arm en rijk. En hoog en laag geplaatst zegt niet alleen iets over de positie van iemand in de samenleving, maar ook over iemands financiële middelen, of in elk geval iemands mogelijkheden om in het levensonderhoud te voorzien. Zo komt er in hoofdstuk 8 een overste van synagoge bij Jezus, in hoofdstuk 14 is er een ontmoeting met een vooraanstaande farizeeër en nu in hoofdstuk 18 een hooggeplaatste. Een hooggeplaatst persoon die ook nog eens steenrijk is. Dat is een verdachte combinatie in de tijd na de val van Jeruzalem en de tempel. Want nadat de Romeinen de opstand hadden neergeslagen in het jaar 70 werden aan de joden ondraaglijke belastingen opgelegd die grote armoede tot gevolg hadden.

Maar kennelijk waren er ook mensen die de dans ontsprongen, die aan de armoede ontsnapten. Vooraanstaande personen die zich op allerlei manieren staande wisten te houden en hun bezit dat ze in het verleden geoogst hadden, wisten te behouden of zelfs te vermeerderen. In tijden van bezetting en onderdrukking kan dat niet anders dan met behulp van de onderdrukker, de machthebber. Collaboratie, samenwerken met de bezetter, is van alle tijden.

Daar hoort ook nog de vraag bij: hoe komt een rijk iemand überhaupt aan zijn rijkdom? Hoe is dat verkregen? Is het überhaupt oogst van eigen inzet te noemen of is het via familiekapitaal of via andere wegen bij deze persoon terecht gekomen? Geld dat geld maakt, lenen tegen rente, akker aan akker sluiten, cumulatie van grond, allemaal zaken waar vraagtekens bij geplaatst kunnen worden en die wellicht vooraf zijn gegaan aan de collaboratie, het samenwerken met het regime van Rome.

Rutger Bregman schrijft in zijn boekje ‘morele revolutie’, over al die instituten en bedrijven die achter Trump aanlopen en er alles aan doen om bij hem in goed licht te staan, of subsidie te blijven behouden, opdrachten te verkrijgen. Hij zegt:
‘Talloze bedrijven, media, universiteiten en musea zijn als door de knieën gegaan voor het nieuwe regime. Menig prestigieus advocatenkantoor haastte zich om de ring van de nieuwe koning te kussen. Maar laten we niet doen alsof ze ineens een verkeerde afslag hebben genomen. Deze kantoren hebben jarenlang Wall-Street criminelen verdedigd, tabaksbedrijven en farmaceuten die krankzinnig veel geld verdienden door mensen verslaafd te maken. Het is niet dat ze plotseling hun principes hebben verloochend – ze zijn er nu gewoon open over. Het is hen nooit gegaan om rechtvaardigheid of democratie, het gaat om macht en winstmaximalisatie.’ (R. Bregman, Morele Revolutie, pg.10-11)

3.
Een hooggeplaatste, steenrijk, overvloedige oogst vanuit het gezichtspunt van de winsteconomie en de ladder van macht en aanzien. Hij wil zijn oogst echter nog verder vergroten: leven in de komende wereld verwerven. Hij heeft alles, onderhoud alle geboden, zo zegt hij tenminste, maar kennelijk is hij er niet gerust op dat hij uiteindelijk ook het nieuwe leven in het koninkrijk van God kan binnengaan. 

Nu heeft ‘het leven binnengaan’ binnen het jodendom wel een specifieke betekenis. ‘Het leven binnengaan’ staat binnen het Joodse denken voor het leven met de Thora van de Ene, de Eeuwige. Dat leven wordt ook wel het rijk der hemelen genoemd. Wie leeft met de leefregels die leeft in het koninkrijk. Maar wat is dat Koninkrijk van God eigenlijk?

Om hun gemeenschappen en lezers een uitweg te bieden uit de verdrukking, armoede en benauwenis, presenteren de evangelisten hun verhaal over Jezus. Hierin leggen ze allemaal grote nadruk op Jezus’ verkondiging van het koninkrijk van God, of het koninkrijk der hemelen. Dit is een bijbels visioen, niet te verwarren met een hiernamaals. Maar een bijbels visioen van een nieuwe wereld hier en nu, een voorafbeelding van een komende wereld, waarin de de waarden van de Thora gerealiseerd worden en de messiaanse ethiek het fundament vormt.

Geheel volgens de rabbijnse traditie was het koninkrijk van God voor Jezus verbonden met het heden en met de toekomst. Jezus spreekt over die wereld, dat koninkrijk als een reeds en nog niet. Het is nog niet gerealiseerd, maar is er wel al, omdat het al wordt geleefd door alle mensen die rechtvaardigheid van de Thora onderhouden. Thora onderhouden is haar richtinggevende woorden in de praktijk te brengen. Ook de vertegenwoordigers van dat koninkrijk zijn er al: de slachtoffers van alle systemen, heersers, koningen en regimes die niet gefundeerd zijn op de waarden van het koninkrijk.

Ieder die het juk van de Thora op zich neemt, verwijdert
het juk van de overheersing en de dagelijkse zorgen.
Maar wie het juk van de Thora afwerpt, wordt belast
met het juk van de overheersing en de dagelijkse zorgen.     
Misjna Avot 3,6

Het koninkrijk breekt dus baan in mensen die zich vrij maken van het gangbare denken. Die in een ander paradigma gaan staan, in een andere manier van denken: thora-denken. Een groeiend rijk van mensen die het juk van de Thora op zich nemen en zich ‘vrijmaken’ van het overheersende en onderdrukkende juk. Door niet de ring te kussen, door niet mee te gaan in de retoriek van vijandsdenken en door een dikke rode streep te trekken wanneer er in de Tweede Kamer gesproken in verhuldende termen als remigratie, als verdekte term voor deportatie van mensen. Als er zelfs door FvD hardop in een kamerdebat gesproken wordt over de terugkeer naar een blank Nederland. Je daarvan vrij maken, is niet alleen zeggen dat je er tegen bent, maar je er ook met alles wat er in je zit aan mogelijkheden, tegen verzetten.

4.
Wat moet ik doen? Je kent de geboden! En dan worden er vijf genoemd. Alle vijf sociale leefregels, die gaan over het beschermen van de economische positie en de sociale rechten van de mens. Omgangsvormen, over hoe je met elkaar leeft en een eerlijke samenleving vorm geeft. Eindigend bij ‘eer je vader en moeder’ daarmee lijkt Jezus zich eigenlijk te richten tot de kinderen om hem heen. Dit verhaal speelt zich namelijk af terwijl Lukas vertelt dat mensen kleine kinderen bij Jezus brengen.

‘Aan dat alles heb ik vastgehouden’. Nou, dat is nogal wat. En daar kun je in het geval van deze mens ook grote vragen bij stellen. Om maar eens te beginnen bij de vraag waar zijn rijkdom vandaan komt? Nu wordt wel eens gedacht dat de bijbel zich keert tegen bezit, tegen het verdienen van geld. Maar dat is onjuist. De bijbel zegt nergens dat je als mens geen fijn leven zou mogen hebben, en niet zou mogen genieten. Waar de bijbel zich wel tegen keert is alles wat je bezit ten koste van een ander. Franciscus van Assisie zegt: alles wat je te veel hebt is gestolen van de armen. Oeps dat is nogal radicaal, en dan zitten we hier met elkaar. Met onze rijkdom. De een wat meer en de ander wat minder, maar toch allemaal in het rijtje van de 10% welgestelden op deze aardbodem. Worden wij zelf vertegenwoordigd door de rijke man in dit verhaal?

Een Jood die steenrijk is, in een tijd dat alle joden tot de armoedeklasse gedoemd waren door de onderdrukker, die kan niet zeggen dat hij niet steelt: alles wat hij verdient in colaboratie met de Romeinen is immers gestolen geld. Maar goed, stel dat het waar is, dat deze mens in alles voldoet aan de leefregels, dan blijft de vraag staan: ben je in staat los te komen van het bestaande, om zo het nieuwe leven te beërven? Ben je bereid afstand te doen van al je overvloed en het uit te delen, om het wellicht terug te geven, aan de armen?

5.
Binnengaan in de komende wereld is niet iets extra’s bovenop de oogst die je al hebt binnengehaald. De mens die op zoek is naar ‘meer oogst’ wordt eerder een spiegel voorgehouden: het meer dat je zoekt zit ‘m nu juist in het minderen. Het ‘meer’ zit ‘m in het loslaten, in het onafhankelijk worden van wat we bezitten, vergaard hebben, hebben en willen houden. Je mag een fijn leven hebben, maar is je leven ook fijn als het allemaal wat minder is? En is het een geschenk dat je op vakantie kunt, of heb je er recht op, want je hebt er immers zo hard voor gewerkt? En ben je dankbaar voor elke dag voldoende eten op tafel, of is het verdienste en daarmee vanzelfsprekend?

Wat moet ik doen om het leven in de komende wereld te beërven, de leefregels onderhoud ik al, wat moet ik nog meer doen? Je moet niet nog meer doen: je moet minderen. Omdat die God van de komende wereld, die Ene, die Goede, het land aan de armsten heeft toegezegd. Deze wereld nieuw is het denken van deze wereld omgekeerd. En dat is niet altijd makkelijk. Wellicht herkennen we de verzuchting van de leerlingen: wie kan er dan nog gered worden?

Maar ligt daar niet precies de vraag, is dat niet precies het juk dat ook wij moeten afgooien: het blijven denken in bestaande patronen, in bekende oplossingen. Mensen van een nieuwe wereld, zijn mensen die zich losmaken, die zich vrijmaken van het bestaande, die omwille van ‘einde armoede’ niet willen plussen maar willen minderen. En onder de armen is het ook moeder aarde die roept om minderen, einde opstapeling van rijkdom. Wat een vrijheid zou dat geven, als we het juk van het economisch adagium, van de vermeerder opdracht en de cumulatie van macht en bezit zouden afwerpen: een nieuwe wereld van ware vrijheid voor allen zal dan haar deuren voor ons openen. En de oogst zal overvloeidig zijn

Dat het zo moge zijn.