Rusten

Rusten

Gelezen: Deuteronomium 34 (De dood van Mozes)
Toespraak: Mirjam Rigterink

En daar was dan het einde van het verhaal over Mozes. De man die als jongetje uit het water omhoog werd getrokken, die als man een volk omhoogtrok uit het land Egypte. Hier eindigt zijn verhaal. Aan de rand van dat beloofde land. Het is hier vast al vaker gezegd, maar sommige dingen kun je niet vaak genoeg zeggen (en ik zeg het ook nog regelmatig tegen mezelf): dat beloofde land kun je natuurlijk niet aanwijzen op een kaart en zeggen: daar, dat is het. Het is geen locatie, het is een opdracht. Een plek die mensen samen moeten waar-maken, nog altijd. Een land, een stad, een familie waar het veilig wonen is. Waar brood en recht en waardigheid en liefde is voor al wat leeft. En waar wij vinden elkaar, zoals we net zongen. Hoe weerbarstig die opdracht is, weten we maar al te goed. Gisteren was het Wereldvluchtelingendag en we slagen er maar niet in: menswaardige opvang organiseren voor wie naar Europa vluchten.

Hoe daar te komen – in dat land van brood en recht, dat is de grote vraag van de bijbel. Kant-en-klare antwoorden worden niet gegeven. Maar we horen hoe mensen met vallen en opstaan onderweg gaan. En vandaag horen we vertellen dat ook als je denkt dat je er bijna bent… dat je dan op de valreep… Dat verhaal wordt verbeeld door Mozes. Veertig jaar door de woestijn getrokken, met een bij tijd en wijle morrend volk achter zich aan. Toen ik vanmorgen van het station hierheen liep, door Park Valkenberg, zag ik haar staan, Mozes: een grote vrouw, die vastbesloten haar weg lijkt te kiezen, met aan haar hand een klein kind dat haar de andere kant op probeert te trekken. Mozes strandt op de drempel van het land. Waarom eigenlijk? In het bijbelboek Numeri wordt verteld dat JHWH Mozes de toegang tot het land ontzegt wanneer Mozes op een rots slaat om er water uit te laten stromen voor het volk (Numeri 20:6-13). Maar wat ging daar nou precies mis? Daarover is de tekst niet zo duidelijk en de meningen van de rabbijnen zijn verdeeld. Eén uitleg is dat Mozes ten overstaande van het volk suggereert dat het zíjn verdienste is dat er water uit de rots stroomt, terwijl hij de credits aan JHWH had moeten geven (JSB). Een lezing die ons wil waarschuwen voor onze hoogmoed, die ons nogal eens ten val wil brengen… Een andere uitleg legt de vinger bij hoe JHWH Mozes had opgedragen om tegen de rots te spréken, niet om op de rots te slaan. Water – beeld voor de Tora – kan, zeggen die uitleggers, alleen kan stromen – anders gezegd: Tora kan alleen worden gedaan– uit vrije wil: de enige weg om mensen vertrouwd te maken met de Tora is om ze erover te vertellen. Slaan is niet de weg. Dwang hoort thuis in Egypte, niet in het land dat Mozes en zijn volk zouden moeten bouwen – en dus verspeelt Mozes hiermee zijn toegang.

Tja,… zegt u het maar. Het leuke van de bijbel is dat heel veel níet wordt verteld. Het zijn boeken vol witregels die wij mogen invullen. Dus de vraag is: hoe lees jij? En wat zegt dat jou?

We zongen na de lezing het Lied van de zevende dag. Het laatste liedje dat Huub Oosterhuis schreef. Op zijn uitvaart werd het, de inkt net droog, gezongen. Nu is het even genoeg, klonk het in de Westerkerk van Amsterdam, nu is het rusten maal rusten. Het lied zingt over het begin van de Hebreeuwse bijbel, het verhaal waarin JHWH orde in de chaos schept. Aan het begin van deze bijeenkomst hoorden we de beginregels voorlezen. Met Simchat Tora – het Joodse feest van de Vreugde om de Tora, straks in oktober – worden die twee teksten ook samen gelezen: eerst het slot van het boek Deuteronomium – de dood van Mozes. En daarna het eerste hoofdstuk van Genesis. Einde en begin van de Tora. Want, is de gedachte: de studie van de Tora begint telkens weer opnieuw. We zijn nooit uitgeleerd. We hebben nooit een definitief antwoord in handen. We gaan op weg met die woorden over vrijheid, vrede en solidariteit, maar… hoe die te realiseren? Vandaag grijpen we weer met onze handen in het haar. Misschien dachten wij ook wel dat we er bijna waren, in Europa. Muur gevallen, op steeds meer plaatsen democratie en sociale voorzieningen en een onafhankelijke rechtsstaat. Maar verbijsterd zien we dat rechten die we dachten voor eens en altijd verworven te hebben weer onder druk staan. Vrouwenrechten. Homorechten.

Is het dan allemaal een luchtspiegeling, die woorden die we hier zondag aan zondag herhalen? Niks ervan, lezen we in de Tora. Het is niet te hoog, niet te ver. Jij kunt het volbrengen. Elke dag opnieuw kun je ervoor kiezen om die woorden hoog te houden. Letterlijk en figuurlijk. Misschien heeft u er wel eens beelden van gezien: op Simchat Thora tillen Joden hun boekrollen op en dansen ermee rond de synagoge, zeven rondjes, en dan de straat op! Als ik naar dat ritueel kijk versta ik het als een appel om in beweging te komen. Deze woorden willen worden gelezen en gehoord, maar vooral gedaan! En als je niet goed weet hoe die woorden te doen: begin maar te dansen. Heen en weer. De ene keer voelt het misschien als een vloeiende beweging. De andere keer is het moeizaam duwen en trekken of stampt er een tekst pijnlijk op je tenen. Maar als je ermee danst, dat wil zeggen: ermee in gesprek blijft, de tekst bevraagt, bediscussieert, nieuwe interpretaties zoekt, dan blijven de woorden leven.

Daarom bij wijze van uitnodiging om te blijven dansen met die woorden, nog een laatste mogelijke interpretatie van die tekst uit Deuteronomium.

In onze vertaling lazen we: ‘jij zult daarheen niet oversteken’. Het Hebreeuws kún je begrijpen als: ‘jij mág niet’. En dan komt ook de vraag op: waaróm mag hij dan niet? Maar zo hoéf je niet te lezen. ‘Jij zult niet oversteken’: dat kun je ook lezen als een droge vaststelling. Je zult niet, want… je kunt eenvoudigweg niet. Zelf moest ik bij dit verhaal denken aan een tekst van de schrijver Kahlil Gibran. In het boekje ‘De profeet’ (1923) schrijft hij aan ouders over hun kinderen:

Je mag hun lichamen huisvesten, maar niet hun zielen,
want hun zielen toeven in het huis van morgen,
dat je niet bezoeken kunt, zelfs niet in je dromen.
Je mag proberen gelijk hun te worden,
maar tracht niet hen aan jou gelijk te maken.
Want het leven gaat niet terug,
noch blijft het dralen bij gisteren.

Soms kun je niet verder mee. Dat is geen straf. Het gaat gewoon niet. De volgende meters zijn aan een nieuwe generatie. En die gaat dingen anders doen dan jij ze zou doen. Fouten maken, ongetwijfeld. Maar dat hoort erbij. Het is nu aan hen. En wat jij hebt gedaan tot nu toe: het was wat je kon. Niet altijd perfect misschien. Maar fout of niet, het is gegaan zoals het is gegaan en op dat moment kon je blijkbaar niet beter. En nu ben je hier. En je kunt niet meer verder mee. Misschien wil je ook niet verder meer. En dan mag je loslaten.

Dan is het rusten maal rusten.
In zomertuinen aan zee.