Zaaien en planten in een dreigende tijd

Zaaien en planten in een dreigende tijd

Gelezen: Jeremia 1,10 en Lukas 8, 4-15
Toespraak: Janneke Stegeman

Lieve mensen,

We worden gaandeweg meer mens, met vallen en opstaan. Daarmee bedoel ik: gaandeweg ons leven doen we ervaringen op die ons vertellen wie wij zijn, wat menselijkheid betekent in deze wereld. Toevallig zag ik afgelopen week een filmpje van twee ballen die van een helling afrollen. Er stond bij: het leven verloopt niet lineair. De ene bal rolde over een rechte helling naar beneden, de andere over een helling met heuvels en dalen. Moet u raden welke bal sneller beneden was – de bal die hobbels en kuilen tegenkwam. Daarmee wil ik niet zeggen dat het er om gaat zo snel mogelijk bij een eindpunt te komen. Maar wel: dit is hoe het leven gaat, over hobbels en kuilen, en zo worden we mens.

De verleiding van een evangelietekst als die over de zaaier is misschien dat die het beeld kan oproepen alsof het leven een kwestie van zaaien op vruchtbare grond. Dan dan komen onze dromen tot wasdom. Of misschien ligt het niet aan de tekst, maar aan de individualistische context waarin we die lezen. Zo kan de tekst makkelijk een beroep doen op ons verlangen vruchtbaar te zijn, op ons verlangen onszelf neer te zetten in het leven – een verlangen waar overigens niets mis mee is.  

Er zit wel een gevaar aan het uitleven van dat verlangen, zeker als we dat doen vanuit een individualistisch perspectief. Met excuus voor de misschien al te letterlijke associatie bij zaaien: ik moest denken aan berichten over artsen die bij vruchtbaarheidsbehandelingen hun eigen zaad gebruikten. Het ging niet om een enkele arts, maar vermoedelijk om tientallen. Ik weet niet welke motieven daaraan ten grondslag hebben gelegen, en het zal wellicht per arts verschillen, maar het lijkt me dat het ook te maken heeft met een uit de hand gelopen drang om jezelf neer te zetten. En ik denk dat dat niet alleen iets zegt over deze (mannelijke) artsen, maar ook over onze tijd.

In NRC las ik een brief van iemand die stelde dat zo weinig mensen tegenwoordig over het geheel nadenken: het toenemende racisme, het stemmen op antidemocratische partijen, het gebrek aan omkijken naar elkaar. Waar is de solidariteit in deze neoliberale tijd? De lezer refereerde aan het belang van democratische waarden. Ik vermoed dat Lukas eerder zou spreken van de waarden van het Koninkrijk. In die context plaatst Lukas dit verhaal. De gelijkenis van de zaaier komt in alle drie de evangeliën voor, maar alleen bij Lukas geeft Jezus tekst en uitleg, op verzoek van de leerlingen. Dat lijkt overbodig, maar kennelijk wil Lukas het nog eens onderstrepen: het zaad dat is het woord, en het gaat om het koninkrijk, en mensen zijn wellicht van goede wil en zitten vol plannen, maar er is zoiets als de tweedrachtzaaier, en er zullen uren komen van beproeving.

Het is goed ons te bedenken dat bij het bij Lukas steeds gaat om het Koninkrijk, en dat dat Koninkrijk iets is van hier en nu. Dat Koninkrijk gaat net zo goed over de politieke en economische realiteit waarin we leven. Het biedt een tegenstem, die vaak regelrecht tegen de heersende machten ingaat. Dan gaat het niet om onze individuele levens, maar om de wereld waarin we samen moeten leven, waarin we ons samen moeten verhouden tot onrecht en machtsmisbruik, om de creativiteit en de volharding die dat vraagt. Het gaat niet om productiviteit, om het halen van doelen: de zaaier zaait overal. Het gaat om het gezamenlijk bouwen aan de tegenbeweging van het Koninkrijk.

De deskundigen die reageerden in NRC benadrukken het belang van maatschappelijke betrokkenheid bij onderwijs en opvoeding. Maar ze zeggen ook: het voorbeeld dat in Den Haag wordt gegeven is cruciaal, en met het huidige anti-rechtstatelijke beleid en de omgangsvormen, is het voor ouders ‘water naar de zee dragen’.

In Lukas, en ook in het vervolg, Handelingen, is het heel helder dat je het van de machthebbers, toen de Romeinse bezetter, niet moet hebben. Daarom is het Koninkrijk een tegenbeweging. In onze tijd groeit een gevoel van teleurstelling en bevreemding ten opzichte van politieke leiders. Er is een heldere tegenstem nodig, nu agressief verzet tegen opvang van vluchtelingen zich uitbreidt. En onze leiders schieten daarin vaak tekort.

De afgelopen jaren draag ik woorden gericht aan de profeet Jeremia met me mee:
op deze dag heb ik je aangesteld
over de volkeren en over de koninkrijken
om uit te rukken en omver te halen,
om verloren te laten gaan en af te breken,-
ook om op te bouwen en aan te planten!

De profeet wordt niet alleen aangesteld om te planten, maar ook om uit te rukken, en zelfs om te verwoesten. Ik vind dat een belangrijk inzicht: voor we toekomen aan vrucht dragen, moet er wellicht eerst iets worden uitgerukt. Voor we kunnen bouwen, moeten we ons afvragen of het fundament draagkracht heeft. Misschien gaan we soms te snel over op daden, op het oplossen, zonder ons af te vragen hoe we onderdeel zijn van het probleem. Zonder eerst het werk te doen van uitrukken, omver halen, afbreken.

Gister was ik bij de herdenking van de Nakba in de Dominicus in Amsterdam. Een vriend zei: een jaar geleden kende ik dat woord niet eens, Nakba. Een zaak van afbreken, net zo goed als van opbouwen en planten. Voordat we eraan toe zijn te erkennen dat de Nakba begon in 1948, dat ook Palestijnen recht hebben op zelfbeschikking.

Misschien, zei een van de sprekers, moeten we vrezen voor genocidevermoeidheid. Het is moeilijk om je langdurig te laten raken, je te blijven inzetten, in verzet te blijven komen, je regering te blijven aanspreken. Maar bedenk dan hoe de mensen in Gaza zich voelen. Zij hebben niet de luxe voor deze vermoeidheid, voor het opgeven van de hoop.

Lukas schrijft:
Maar wat in schone aarde viel, zijn zij
die met een schoon, goed hart het woord hebben gehoord,
eraan vasthouden en vrucht dragen in volharding

In volharding. Want: het is niet simpel. Het woord volharding ken ik het beste uit de Palestijnse context, Arabisch voor volharding is sumud. Afgelopen november was ik in Palestina, voor het eerst in zeven jaar. In de heuvels onder Hebron bezocht ik het kleine dorpje Umm al Kheir. Umm al Kheir is een van de bedoeïenen-dorpen die worden bedreigd door de uitbreiding van illegale Israëlische nederzettingen en het geweld van de kolonisten. Meer dan 15 jaar geleden was ik er ook, en ook toen vertelde Eid Hathaleen, onze gastheer, over de dreiging van kolonisten, de sloop van huizen, en het creatieve verzet dat ze tegenover de Israëlische overmacht proberen te stellen.

Ik heb het wel vaker verteld, ook hier: de jaren die ik toen in Palestina en Israël doorbracht, markeren een ommekeer voor mij, voor mij als Nederlander, als gelovige, als theoloog: ik ging erheen met een onschuldig zelfbeeld, ik was neutraal, een buitenstaander. Ik had het overzicht, want ik hing als het ware boven de partijen. Maar mijn ervaringen zeiden iets heel anders: hoe gekleurd mijn blik gekleurd, hoe groot mijn blinde vlekken. Dat was het begin van een proces van onderzoeken, afbreken, uitrukken, dat nog steeds door gaat.  

In Um Alkher is alles geïmproviseerd en tijdelijk, er kan zo een bulldozer komen. De vrouw bij wie we op bezoek zijn vertelt over de moord op haar echtgenoot, Awdeh heette hij. Ze vertelt over hem, hoeveel hij van zijn kinderen hield, hoeveel zij van hem hield, hoe belangrijk hij was niet alleen in het gezin, maar in het hele dorp. Hij was leraar, en activist. Hij leerde de mensen in het dorp hoe je menselijk kunt blijven temidden van een bezetting die je alles afneemt en die je ontmenselijkt. Ze vertelt hoe Awdeh zijn eigen dood filmde, omdat een Israëlische kolonist hem neerschoot terwijl hij hun geweld filmde.

Awdeh en Eid hebben, of hadden, een visioen, daar ligt het niet aan. Je moet beschikken over grote innerlijke schoonheid om het onverdraaglijke uit te houden. Dat kan alleen als je het vermogen hebt je een andere wereld voor te stellen temidden van een gewelddadige wereld die jouw menselijkheid ontkent.

Wat zij doen, is ploegen op zeer weerbarstige grond. Wat zij doen, is zaaien van hoop. En of daar iets uitkomt? De harde waarheid is: voor velen is het te laat. Voor Awdeh bijvoorbeeld. Maar het is niet te laat om te leren van zijn leven.

Misschien kennen jullie het prachtige gedicht Over de Eerbied van Ida Gerhardt met de regel:
‘Gij moet het eenzaam laten / het zaad dat ligt te slapen / en dat al kiem gaat maken.’
Dat klinkt passief, maar vergis je niet. Als de kiem gaat groeien, binnen in het kaf, is het niet meer te houden. Het moet zich bevrijden. En dat gaat met grote kracht. De kiem breekt zich los, met geweld. En daar verschijnt een plant, kwetsbaar nog, maar onweerstaanbaar.

Moge het zo zijn dat wij een gemeenschap zijn die openbreekt wat opengebroken moet worden, die neerhaalt wat neergehaald moet worden, die tegenstem is, die vrucht draagt.

Gij moet het eenzaam laten
het zaad dat ligt te slapen
en dat al kiem gaat maken.
Dit eerstelingsbewegen
van leven binnen leven
vermijd het te genaken.
Laat het stil in zijn waarde,
zaad in donkere aarde;
zaad in de donkere aarde
en het zal groen ontwaken.